Countus

Nieuws voor de agrarische markt

Terug naar het overzicht

Tijdige verpachting warme grond voorkomt belastingheffing

vrijdag 20 augustus 2010, categorie: Agrarisch
Een veehandelaar gebruikte tot 2002 een tweetal percelen landbouwgrond met een totale oppervlakte van 6,81 ha voor zijn bedrijf. In november 2001 was de veehandelaar met een boomkweker overeengekomen om deze percelen met ingang van 1 januari 2002 voor de duur van zes jaar te verpachten, waarvoor de Grondkamer eind 2001 goedkeuring verleende. De veehandelaar bracht zijn verpachte percelen over van zijn ondernemingsvermogen naar zijn privé-vermogen voor een waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB) van € 255.600. Na aftrek van de boekwaarde van € 45.485 resulteerde een boekwinst van € 210.115, waarvoor hij in de IB-aangifte 2002 de landbouwvrijstelling claimde.

In augustus 2004 ontving de veehandelaar een brief van de belastinginspecteur met het verzoek om aanvullende informatie. Ondermeer vroeg de inspecteur welke omstandigheid de overbrenging van de grond naar privé rechtvaardigde en of er plannen waren tot verkoop van de grond. De accountant van de veehandelaar schreef aan de belastingdienst dat de grond was verpacht en derhalve niet meer dienstbaar was aan het bedrijf.  Ook meldde de accountant dat er geen concrete plannen te verkoop waren. In oktober 2004 werd de aanslag inkomstenbelasting 2002 overeenkomstig de ingediende aangifte opgelegd.

Eind september 2004 gaf de veehandelaar een makelaar schriftelijk opdracht tot bemiddeling bij verkoop van de percelen. Eind december 2004 werden de percelen verkocht voor € 2.147.040, waarbij de levering in maart 2005 plaatsvond.

In november 2006 stelde de belastingdienst een boekenonderzoek in om de aanvaardbaarheid van de IB-aangiften over 2002 tot en met 2004 vast te stellen. Naar aanleiding van de bevindingen van de belastingdienst werd ook het jaar 2005 voor wat betreft de verkochte percelen bij het onderzoek betrokken. Op grond van het onderzoek stelde de belastingdienst dat overbrenging naar privé niet was toegestaan en dat het verkoopresultaat geheel belast was in het jaar van juridische levering (2005). Indien overbrenging naar privé wel mogelijk zou zijn in 2002, moest uitgegaan worden van de waarde in het economische verkeer (WEV). Deze was volgens de belastingdienst gelijk aan de gerealiseerde verkoopprijs. Ter behoud van rechten corrigeerde de belastingdienst zowel het inkomen over 2002 als 2005 met € 1.891.440. Tevens werden over beide jaren een vergrijpboete van meer dan € 700.000 opgelegd.

De inspecteur handhaafde de aanslagen na beoordeling van de bezwaarschriften van de veehandelaar. Het door de veehandelaar ingestelde beroep bij de rechtbank werd gegrond verklaard; de behaalde boekwinst op de grond was niet belast. De inspecteur ging hiertegen in beroep bij het Gerechtshof. Hij stelde zich primair op het standpunt dat de betreffende percelen niet per 1 januari 2002 naar het privé-vermogen overgebracht konden worden, omdat de onzekerheid omtrent de waardeontwikkeling op dat moment te groot was en de veehandelaar altijd de bedoeling had gehad dat de betreffende gronden weer terugkwamen in zijn onderneming. De gehele verkoopwinst diende belast te worden in 2005. De inspecteur voerde diverse bewijsstukken op waaruit bleek dat er al vanaf het jaar 2000 werd gesproken over mogelijke bouwplannen van de buurgemeente in het gebied waarin de gronden waren gelegen. Hij verweet de veehandelaar opzet nu deze de vraag of er verkoopplannen waren onjuist had beantwoord. Mocht overbrenging per 1 januari 2002 wel mogelijk zijn dan zou op grond van een taxatierapport de na toepassing van de landbouwvrijstelling de te belasten winst € 153.360 bedragen.

Het Gerechtshof oordeelde dat bij staking, in afwijking van de algemene regel, geldt dat overbrenging van een activum (bijvoorbeeld grond) naar het privé-vermogen niet mogelijk is indien omtrent de afwikkeling van dat activum sprake is van uit de ondernemingssfeer stammende onzekerheden. De hier bedoelde onzekerheid met betrekking tot de gemeentelijke herindeling van het gebied, waarin de percelen zijn gelegen, en daarmee de mogelijke toekomstige aanwendingsmogelijkheden van die percelen, vormde niet een uit de ondernemingssfeer stammende onzekerheid. Eventuele onzekerheden dienen te worden verdisconteerd in de waardering van de percelen ten tijde van het onttrekken aan het ondernemingsvermogen. Het Hof concludeerde dat noch ten tijde van het overgangstijdstip 1 januari 2002, noch ten tijde van de indiening van de IB-aangifte 2002 in de loop van 2003, een meer dan zuiver speculatieve mogelijkheid bestond dat de percelen op termijn voor woningbouw gebruikt zouden worden. Er was op geen van beide tijdstippen sprake van onzekerheden omtrent de afwikkeling die een overgang naar het privé-vermogen zouden verhinderen.

Over het geschil voor welke waarde de beide percelen per 1 januari 2002 overgebracht konden worden naar het privé-vermogen, oordeelde het Hof dat een bestemmingswijziging van het gebied in 2002 redelijkerwijs niet te voorzien was. Dit was pas te voorzien na een voorstel tot een grenscorrectie met de buurgemeente, dat begin 2004 werd ingediend. Er was daarom geen sprake van een verschil tussen de WEV-waarde en de WEVAB-waarde per 1 januari 2002. De boekwinst op de grond was geheel onbelast. Het beroep van de belastinginspecteur was ongegrond.

Moraal van deze uitspraak is dat er bij warme gronden tijdig maatregelen genomen moeten worden om belastingheffing over de verkoopopbrengst te beperken.


Deel nieuwsitem: Twitter

Overig nieuws

Lees meer agrarisch nieuws

Index Akkerbouw

Index Akkerbouw & Melkvee